HR 20 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:978
Besluitvorming door een orgaan van een rechtspersoon vereist dat allen die vergader- of stemrecht hebben of die een raadgevende stem hebben, in de gelegenheid zijn gesteld aan het daarop betrekking hebbende overleg deel te nemen, respectievelijk hun raadgevende stem te gebruiken, en, wat betreft de stemgerechtigden, aan de besluitvorming deel te nemen. Handelen in strijd met deze norm leidt tot vernietigbaarheid van het besluit en niet tot nietigheid daarvan.
Achtergrond
De feiten in deze zaak komen op het volgende neer. Vier broers waren, via hun persoonlijke beheermaatschappijen, indirect aandeelhouder in een steenfabriek (een B.V.). Wijlen broer 1 was kinderloos en heeft de statuten van zijn persoonlijke beheermaatschappij zodanig willen wijzigen dat het mogelijk was dat hij zijn aandelen in die persoonlijke beheermaatschappij legateerde aan zijn neefje, de zoon van broer 2 (hierna: Neef).
De vier broers hielden ieder alle gewone aandelen en zeven preferente aandelen in hun eigen beheermaatschappij. Ieder van de broers hield ook één preferent aandeel in elk van de beheermaatschappijen van de andere broers. Toen broer 1 de statuten van zijn beheermaatschappij wilde wijzigen, had hij daarom zijn drie broers opgeroepen voor een aandeelhoudersvergadering van zijn beheermaatschappij, te houden op 10 januari 2018 om 11.00 uur. Agendapunt: (het besluit tot) wijziging van de statuten met betrekking tot de overdraagbaarheid van de aandelen. Een maand na die aandeelhoudersvergadering zijn de statuten van de beheermaatschappij bij notariële akte gewijzigd. Broer 1 heeft in zijn testament een stichting (hierna: de Stichting) tot zijn erfgenaam benoemd en alle door hem gehouden aandelen in zijn beheermaatschappij tegen inbreng gelegateerd aan Neef.
Broers 2, 3 en 4 stellen dat broer 3 en 4 de aandeelhoudersvergadering van 10 januari 2018 niet hebben kunnen bijwonen doordat broer 1 de vergadering te vroeg is begonnen en het besluit tot statutenwijziging al had genomen voordat broer 3 en 4 arriveerden (vast staat dat broer 2 niet is gekomen). Het hof heeft in het midden gelaten of dat inderdaad zo is. Daarom moet in cassatie worden verondersteld dat deze stelling juist is (zie rov. 3.2.2 van het arrest).
Volgens broers 2, 3 en 4 is de statutenwijziging nietig en mogen de aandelen daarom niet worden aangeboden aan Neef. Zij vorderen dat de aandelen eerst aan hen worden aangeboden.
De Wijsmuller-norm
Broers 2, 3 en 4 beroepen zich in deze zaak op de zogenoemde Wijsmuller-beschikking uit 1968. Die zaak betrof een conflict binnen de familie Wijsmuller. De vier broers Wijsmuller vormden samen met de vrouw van één van hen (hierna: schoonzus) de Raad van Bestuur én de Vergadering van houders van prioriteitsaandelen van moeder-NV Wijsmuller. De twee jongste broers en de schoonzus riepen, zonder overleg met de twee oudste broers, de Vergadering van houders van prioriteitsaandelen bijeen om (zoals de statuten eisten) goedkeuring te vragen voor het uitoefenen van stemrecht op de aandelen in dochter-NV Wijsmuller. Die goedkeuring kwam er, en moeder-NV Wijsmuller stemde voor het ontslag van de oudste twee broers Wijsmuller als commissarissen van dochter-NV Wijsmuller. Volgens de oudste broer was geen sprake van een geldig bijeenroepingsbesluit van de Vergadering van houders van prioriteitsaandelen, wat weer meebrengt dat het ontslagbesluit niet geldig tot stand was gekomen. Kantonrechter, rechtbank en Hoge Raad stelden hem in het gelijk.
De Hoge Raad overwoog dat een besluit van een meerhoofdig orgaan van een rechtspersoon tot stand moet komen ‘als vrucht van onderling overleg’ van alle leden van dat orgaan die, na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, aan dat overleg wensen deel te nemen.
In het rechtspersonenrecht wordt hieruit sinds jaar en dag de norm afgeleid dat allen die vergader- en stemrecht in een orgaan van een rechtspersoon hebben, in de gelegenheid moeten worden gesteld aan de besluitvorming deel te nemen (de Wijsmuller-norm). Die norm geldt (dus) ook als de buitengeslotene niet stemgerechtigd was of als vaststaat dat zijn stem niet tot een andere uitkomst had geleid. Het gaat er immers om dat besluiten tot stand komen ‘als vrucht van onderling overleg’, wat zo wordt uitgelegd dat de buitengeslotene de kans moet hebben gehad de ander(en) te beïnvloeden.
De sanctie op schending van de Wijsmuller-norm
Het onterecht niet in staat zijn gesteld de aandeelhoudersvergadering bij te wonen, leidt er dus toe dat de Wijsmuller-norm is geschonden. Daarmee kleeft aan een op die aandeelhoudersvergadering genomen besluit een gebrek. In deze zaak staat de vraag centraal of dat gebrek moet leiden tot nietigheid of slechts tot vernietigbaarheid. Dat verschil is relevant omdat art. 2:15 lid 5 BW voor vernietiging een vervaltermijn van een jaar kent, die in deze zaak was verstreken.
Volgens broers 2, 3 en 4 leidt het niet kunnen bijwonen van de aandeelhoudersvergadering ertoe dat het besluit tot statutenwijziging nietig is. Dat zou meebrengen dat de gelegateerde aandelen, conform de oude statuten, eerst aan hen moeten worden aangeboden. Volgens hen lijdt het besluit niet slechts aan een totstandkomingsgebrek dat tot vernietigbaarheid op grond van art. 2:15 BW leidt, maar aan een fundamenteel totstandkomingsgebrek dat op grond van art. 2:14 BW nietigheid van dat besluit tot gevolg zou hebben. Rechtbank en hof hadden die stelling verworpen.
Oordeel van de Hoge Raad
De Hoge Raad benadrukt eerst het onderscheid tussen art. 2:14 BW (nietigheid van besluiten van een orgaan van een rechtspersoon) en art. 2:15 BW (vernietigbaarheid daarvan).
Art. 2:14 lid 1 BW bevat de regel dat een besluit van een orgaan van een rechtspersoon dat strijdig is met de wet of de statuten nietig is, tenzij uit de wet iets anders voortvloeit. Een wettelijke bepaling waaruit iets anders voortvloeit is art. 2:15 BW, zo vervolgt de Hoge Raad, onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis. Art. 2:15 lid 1, aanhef en onder a, BW bepaalt namelijk dat een besluit vernietigbaar is als het strijdig is met wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen.
Vervolgens (her)formuleert de Hoge Raad de op de Wijsmuller-beschikking geënte norm die geldt voor het uitoefenen van vergaderrecht, stemrecht en het recht op een raadgevende stem in een (meerhoofdig) orgaan van een rechtspersoon:
“Besluitvorming door een orgaan van een rechtspersoon vereist dat allen die vergader- of stemrecht hebben of die een raadgevende stem hebben, in de gelegenheid zijn gesteld aan het daarop betrekking hebbende overleg deel te nemen, respectievelijk hun raadgevende stem te gebruiken, en, wat betreft de stemgerechtigden, aan de besluitvorming deel te nemen.”
Daarna beantwoordt de Hoge Raad de vraag wat de sanctie is op het schenden van deze norm:
“Handelen in strijd met deze norm (…) levert strijd op met wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen, in de zin van art. 2:15 lid 1, aanhef en onder a, BW, en leidt op grond van die bepaling dus tot vernietigbaarheid van het besluit en niet tot nietigheid daarvan.”
In deze zaak moest in cassatie worden verondersteld dat de aandeelhoudersvergadering te vroeg was begonnen, wat een schending van de bovengenoemde norm opleverde. Dat leidt dus tot vernietigbaarheid en niet tot nietigheid.
De betekenis van de uitspraak is echter breder dan het geval dat te vroeg is begonnen met een aandeelhoudersvergadering. Ook andere schendingen van de (her)geformuleerde Wijsmuller-norm leveren vernietigbaarheid van de besluitvorming op en geen nietigheid. Of het wél kunnen uitoefenen van het vergader- of stemrecht danwel het gebruiken van de raadgevende stem tot een ander besluit zou hebben geleid, lijkt daarbij niet uit te maken.
Afdoening
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep. Dat is in lijn met de conclusie van A-G Assink.
Verweerders (Neef en de Stichting) zijn in cassatie bijgestaan door Hans van Wijk en de auteur, en in feitelijke instanties door Richard de Haan en Jeroen van Calker (A&O Shearman).